Frans Budé
diechter

Toongerseweeg

Kuierend afgelopen week over de Algemene Begraafplaats aan de Tongerseweg in Maastricht word ik herinnerd aan de vragen die elke kerkhofbezoeker zich stelt en door Hortense Brounts in haar inleiding bij de in september gepresenteerde gids Als de stemmen zwijgen, spreken de stenen treffend is verwoord. Ik citeer haar woorden: “Tot dao in die twiehoonderd jaor väöl gebäörd is, weurt op ’t kèrkhof soms pienelek dudelek. Eigelek gief ’t – op e klein stök groond – ’n euverziech vaan e groet stök historie. Dao weurt me nuisjiereg vaan. Vaan wee is dat graaf? Wienie is dee gebore? Wat waor dao gaonde? Wat waore dat veur lui? Veurwat ligke die hei bijein? Veurwat ligke die zoe wied oeterein?”

Ik vervolg zoekend mijn weg, lees de namen op de graven. Sommige behoren tot families die ik vaag van vroeger kende. Ze hadden een winkel of een kantoor her en der in de stad. Of waren architect, musicus, beeldend kunstenaar. Veertigduizend doden zijn er sinds 1812  bijgezet, laag over laag. In hun huizen in de stad wonen nu anderen. Soms zijn ook de huizen verdwenen, maar dat is in een oude stad als Maastricht bijna ondenkbaar. Dan ligt er nog altijd die oude vloer, plakt er onder het behang misschien nog een strook van het streepjes- of bloemetjespatroon van toen. Er staan andere kasten, aan andere tafels zitten andere mensen – het leven gaat door. Het blijft raar, maar het is waar, onterecht misschien, want van de afgestorvenen gaat het leven níet door. De tijd wist uiteindelijk alle sporen uit, totdat niemand meer een herinnering heeft en er schrijvers en wetenschappers nodig zijn om een werkelijkheid boven te halen die geschiedenis geworden is.

Ik heb altijd wat moeite gehad met kale woorden als dodenakker of godsakker, misschien doordat ik van kindsbeen af aan vertrouwd was met de sfeer van het kerkhof aan de Tongerseweg, een combinatie van kunst, vakmanschap, architectuur en natuur: de oude bomen met ‘s zomers hun dicht bladerdek en eeuwigsterke wortelstronken, elders weer de lichtheid van de witte berkenstammen, de verzorgde taxushagen, het ommuurde deel van het Joods kerkhof (alwaar onder meer twee vierkante grafpijlers door beeldhouwer Appie Drielsma vormgegeven voor zijn overleden ouders), de diversiteit in steensoorten (graniet, marmer, travertin, basaltlava), de neogotische kapel van architect Kayser, de veelheid aan graven die door kunstenaars van naam en faam met waardevolle afbeeldingen werden verrijkt. En niet te vergeten: de dagen vóór Allerheiligen als de overledenen in de bloemetjes worden gezet en nabestaanden – ik heb ze wel eens zien sjouwen met afgedankte kinderwagens waarin een keur aan poetsmateriaal – vol energie aan het werk gaan. En de opmerkingen die ik dan hoor, samen met mijn vrouw in de weer met schrobber en groene zeep, als ik mijn oren spits: “Pa daon iech gewoen met ’ne naten dweil. Meh bompa, get wijerop, moot iech toch ech sjróbbe!”

In die dagen lijkt het kerkhof te zingen, dirigeert Henri Hermans het hemels orkest dat bij het graf van de dekens ‘O reinste der schepselen’ van Marie Koenen inzet, bij de soldatengraven Matty Niëls ‘Blues’ en bij de burgemeestersgraven ‘t ‘Mestreechs Volksleed’ van Fons en Guus Olterdissen laat opklinken. Meen ik daar dat ik Guus tegen Fons hoor zeggen: “Eindelek kinne v’r blieve ligke!’  Onder de hoge sequoiaboom luister ik ontroerd naar klanken uit Andrée Bonhommes ‘La flûte de jade’. De muziek die ik even later hoor moet uit vak AP komen, onmiskenbaar zijn de het jazzy pianoklanken van solo-entertainer, dirigent, componist Math Niël – neef van Matty Niël – die moeiteloos overgaan in het clublied van MVV. En bij het verlaten van het kerkhof via de ingang aan de Tongerseweg word ik aangenaam verrast door het geluid van een blaasinstrument. Dat moet ‘Sjarel-mèt-de-Trompöt’ zijn, ik weet het zeker, de man brengt een ode aan de stad waar hij tien jaar geleden op gemeentekosten is begraven. Alsof hij wil zeggen: “Estebleef, verget m’ch neet, iech bin d’r nog.”

‘s Anderendaags geef ik bij het station voorrang aan een vertrekkende Veoliabus met op de zijkant – in opdracht van een plaatselijke uitvaartonderneming – een plastic banner over de volle lengte van het voertuig. Het opschrift is van Seneca, zo staat erbij geschreven, en luidt: “Het hele leven is slechts een reis naar de dood.” Oké, kan zijn, maar dat wil ik in alle rust thuis zelf overdenken en niet opgedrongen krijgen op een gevaarlijk kruispunt. Even later een andere bus met achterop ter overweging de woorden: “Het leven is slechts een opmaat naar de dood.” Je zult er maar achter moeten rijden! Daarom, hooggeachte filosoof Seneca, zo deze citaten al van u zijn, richt ik me toch even in alle bescheidenheid tot u: het leven is – ongeacht de duur – veel te intens, diepgaand en veelzijdig om slechts een opmaat te zijn naar wat de finale zou zijn! En als u de Algemene Begraafplaats aan de Tongerseweg wist te vinden, zou u net als mijn vader destijds op een prachtige herfstdag met een wijds gebaar uitroepen: “Wee zouw hei neet wèlle woene!”

Frans Budé

Els Ottenheym (01.11.2007) - Lees wijer
Phil Dumoulin (29.12.2007) - Lees wijer
Peter Reijnders (22.01.2008) - Lees wijer
Richard Jongen (19.02.2008) - Lees wijer
Hortense Brounts (09.04.2008) - Lees wijer
Roelf Welkenhuizen (20.06.2008) - Lees wijer
Mgr. Fons Kurris - Lees wijer
Roger Weijenberg - Lees wijer
Els Ottenheym - Lees wijer
Els Ottenheym - Lees wijer
Iwan Bruijnzeels - Lees wijer
Twajn Weijenberg - Lees wijer
Hortense Brounts - Lees wijer
Roelf Welkenhuizen - Lees wijer
Jef Loontjens - Lees wijer
Lei Bovens - Lees wijer
Lei Bovens - Lees wijer
Els Ottenheym - Lees wijer
Patrick van de Weijer - Lees wijer
Hortense Brounts - Lees wijer
Peter Schrijen - Lees wijer
Ingrid Olivers - Lees wijer
Elly Theunissen - Lees wijer
Fabrizio Bongers - Lees wijer
Hortense Brounts - Lees wijer
Frans Tomassen - Lees wijer
Frans Budé - Lees wijer
Will Wintjens - Lees wijer



Digi-Dictionair
Agenda

Copyright © 2013 Veldeke Krink Mestreech